O dichtertje dichtertje

Wat puurt er vannacht door uw lakens

Welke woorden hebt ge gemenstrueerd

tussen Pinot noir

en een ochtend moccachino-filter?

 

Wat laat ge razen  

grazen in uw korenvelden

welk woord is welke long

 

dat ge vannacht weer lag te ploegen

het vruchtbaar etter van uw oogholtes

 

ik ken het binaire alfabet

ook de barcode van dit gedicht

ik weet hoe Insomnia te valideren

 

000010111100000 1110100111001

1110001111000000010111010101

1100010101111010101011110000

     

 

plus oneindigheid

Hedendaags wordt er vaak genoeg gespeculeerd achter de politieke achterban van onze vertrouwde blauwe eighties figuurtjes. Liberalen!, werd er een keer opgeworpen, doch het zou incorrect zijn deze minuscule creaties bij hun huidskleur te beoordelen, m.a.w. aan dat politiek racisme hebben we hoegenaamd geen baat.

 

Een andere keer viel ‘communisme’ uit een mond. Toegegeven, dit schalt als radicalisme door onze trommelvliezen, doch deze theoretici hebben aanlokkelijke argumenten om deze denkpiste te staven.

 

Vooreerst leven smurfen in een kleine, afgebakende ‘commune’. Elke smurf is actief tewerkgesteld en er is sprake van een perfecte taakverdeling. Moppersmurf, natuursmurf, brilsmurf, knutselsmurf,…zijn enkele van de zo talrijke voorbeelden waarin deze wezens zich in hebben gespecialiseerd. Alle smurfen lijken daarenboven sterk op elkaar, meer nog, zij zijn niet van elkander te onderscheiden buiten hun arbeidsfunctie.(Met uitzondering van “zwarte smurf” -een door een zwarte vlieg besmette blauwe smurf-, later door criticasters veroordeeld als racisme en terstond bijgesteld tot “paarse smurf”)

Aanhangers van deze theorie verdedigen dit paradigma  door de volgende stelling : “Door de afwezigheid van een monetair stelsel is arbeid de enige bron van handelswaarde. En doordat elke smurf in het dorp een specifieke functie heeft, is er geen concurrentie.”

 

Doch er zijn enkele significante details die dit communistische Utopia in elkaar doen zakken als de Toren van Babel. Mijn intentie is U te overtuigen dat “smurfenland” geen communistisch doch een anarchistisch regime is.

Vooreerst moet de term “anarchisme” worden gehanteerd ipv. “anarchie”. Anarchie betekent immers ‘het ontbreken van normen’ en de smurfenideologie is wel degelijk gefundeerd op waarden en normen. Zo is er sprake van een zeker solidariteitsgevoel – sterkere smurfen ondersteunen de zwakkere smurfen – en plichtsbesef – men moet zijn steentje bijdragen om het dorp goed te laten functioneren.

 

We kunnen dus afleiden dat deze wezens dus over een zeker moraalbesef beschikken. Dat houdt echter nog niet in dat zij communistisch zijn. Men kan het ‘smurfendorp’ niet toetsen aan eender welk bestaand communistisch regime – in heden of verleden-. Grote smurf vergelijken met Mao, Stalin of Fidel Castro zou een heuse belediging zijn aan het adres van Pierre Culliford. Tot op een zekere hoogte voert Grote Smurf wel een gecentraliseerd bestuur, alle conflicten worden met hem besproken en hij heeft een hoog aanzien t.o.v. zijn medebewoners, maar zijn ‘participatie’ is slechts gedetermineerd tot enkele ‘wijze uitspraken’ en richtlijnen of bevelen worden nooit meteen doorgevoerd. Bovendien beschikt elke smurf over het recht zijn eigen visie te verdedigen en soms leidt dat tot een tegengesteld standpunt dan Grote Smurf eerder had geopteerd. Er is dus een open-debatcultuur,en dus  geniet Grote Smurf niet van die zekere politieke prestige dat een communistisch leider normaliter beoogt.

 

Smurfen zijn daarenboven ook geen marxisten, met name dat zij geen uitbuiting kunnen vaststellen, zij leven al in een utopisch klasseloze maatschappij. Er is ook geen enkele aanwijzing dat zij vooreerst wel uitgebuit werden, door de serie heen schijnt dat zij altijd al een pacifistisch, tolerant volkje zijn geweest. Verdraagzaam? Jazeker, tot op een zekere hoogte. Het smurfendorp is een gesloten Gemeinschaft, zij kijken wantrouwig naar elke andere samenleving en wensen het liefst dat er niet teveel veranderd aan de huidige situatie. Zij hebben echter wel vriendschappelijke relaties met andere volkeren, wat erop duidt dat zij zichzelf niet superieur achten, doch gewoon het liefst met rust gelaten worden.

 

Gargamel wordt door de “communisme-theorie” beschouwt als de kapitalist die de smurfen keer op keer probeert te onderdrukken. Bizar genoeg is Gargamel geen inwoner van het dorp, maar zoals het anarchisme bepleit een buitenstaander die door zijn autoritaire karakter het smurfendorp wil vernietigen. De Smurfen vrezen Gargamel, daar zij vrezen hun individuele rechten te verliezen. Dat Gargamel de Smurfen wil veranderen in goud lijkt mij eerder een misplaatste midas-metafoor, men kan hem hierdoor bekijken als een dolgedraaide materialist, doch geen kapitalist. Kapitalisme heeft zo zijn voor- en tegenstanders, maar is gefundeerd op een zekere vorm van ‘investering’, er is geen aanwijzing dat Gargamel wil investeren in het Smurfendorp of het Smurfendorp zodanig wil modereren naar zijn eigen ideologie, hij wil het enkel verwoesten.

 

Respect voor de individuele vrijheid is de idee dat alle smurfen beamen. Zij wonen niet in de drukte van een metropool, doch in een kleine agrarische gemeenschap bestaande uit ambachtslui en kleine boeren. Er bestaat ook niet de ambitie naar een expansie van het smurfendorp te ijveren, er is nooit een gebied geannexeerd, hoewel dit dorp geen duidelijke grenzen kent. Zij leven allemaal in soortgelijke huizen – paddenstoelen, doch onderscheidt zich hierin met het communisme dat elke smurf wel degelijk zijn eigen woonst ‘bezit’.

 

Ten laatste wil ik nog inpikken op een stelling dat ik daarstraks al even uit de doeken heb gedaan: hun taakverdeling. Elke smurf heeft zo zijn talenten, en probeert die te maximaliseren om tot een efficiënt ‘bestuur’ te leiden. Doch is het u niet opgevallen dat er ook artistieke smurfen bestaan (dichtsmurf, beeldhouwsmurf,…) die zelf hun eigen visie op de samenleving reflecteren. M.a.w., er bestaat geen uniform dogma waaraan de smurfen moeten voldoen, zij maximaliseren hun talenten op die manier die zij zelf  efficiënt achten. Communisme?

 

Hiertoe roept vanzelf de nodige retoriek: Peyo = pseudoniem voor Proudhon?

Ik riek onraad tussen het hoogveen en de man met een kostuum die mij een horloge wou verpatsen. Ook die sigaretten, monsieur, die gisteren nog zo schoon un uw bek pasten, zijn niet meer pausibel. Ik was mij langzaam het naakte van mij weg, sluier mij in het troebelste water

Gij zult mij niet meer bloot zien. Ik ben de hoer van mijn eigen lijf.

 

Sigarettenpeuken en Ik. We lijken op elkaar, we zijn met de grond eengemaakt.

We zijn beide ontrouw aan dat seniele dat ons elke nacht wakker houdt. Het groteske reeds uit de kiem gesmoord, het censuur is de filter.

 

Ik verkwist u, dwaas, en leg me dan naast u neer. Gij voedt mij en ik geef u essentie. En om die gulheid, bemin ik u.

 

 

Blind hij werd, hij die impressioneerde. Hij die als kind in de wind droomde langs paden voorbij de zoete ciderbomen, droge korenvelden, de grootste kathedraal van heel Normandië.

 

Fantasie is aan hij die vindt, zelfs dat kind in de wind. Anderen improviseren anarchie.

 

 

De beddensprei lag even nonchalant als jezelf. Je was opgestaan om 10. 00 uur stipt. Punctuele verveling.
De warmte was uit de lakens ontsnapt. Vijf vingers treuzelden cornflakes. Er lag een vreemde op een matras. 

Je lag weer te huilen op de trap

 

Je weet niet wie je bent, wie je was.

 Ergens zit je te staren tussen licht en gordijn, verdwijn en dicht, die leegte die ooit ook diep maar vol was.

Je weet niet wie je geworden bent.

 

 Daar zat mijn alter-ego te flirten met het verleden. Ik huilde bij het kraken van nieuw papier.
Genot had een tweesnijdend zwaard. Vrijheid was een vergeten adjectief.
Het was de eeuw van radeloze verwarring. Confucius viel van zijn troon en een kind blies de Toren van Babel omver. Zelfs de wind stotterde onzeker. Wij aten dagelijks verloren brood.

Ik bad onvergetlijk lang, mijn gebeden kenden een zekere turbolentie. De spiegel gaf de bleekheid toe van eindeloze isolatie. Ook turbolentie kende een zekere constante. Ik debuteerde fragiliteit.

Ook het kind hield op met huilen, ook de ochtendpuddings vervielen na twee weken sedentarisme. Het sein kwam – zoals altijd – te laat. De scepsis dook op in het verhaal: ‘zal ook deze keer mijn thee verkoelen?’.

Soms daagt dat vleugje autisme weer op. Tegels tellen. Broken Promises. Delicten alfabetiseren. Je op te eten.

Ik huilde nachten en dronk de dagen. Nostalgisch, maar niet te klagen.

Laat me je beminnen zodat ik zondigen kan.

Secularisatie van het hart! Gooi die clusterbom op mijn geweten! Dood aan de rede! Laat die ratio achterwege, leef momenteel het onrustig interval. Zoemende radio, verkleed bal, angstig klappertanden om het stilvallen van de ruis. Het is troebel en hoor hier niet thuis.

De zon heeft zonet gelogen over haar warmte. De stad is killer dan gist’ren. KILLER-BEES produceren giftige honing. Ik herken me in de man die zolaatst nog sprak over verweven Donquichotterie.

Er zijn zeventien mijmerende sirenes, maar schijn enkel de fado’s van die jonge heer daar te primeren.

” Weet U wel wat schoonheid is, puur esthetisch, mademoiselle” hij zegt, en hij leeft mijn leven zoals ik dat niet meer kan. Ik geloof hem niet, zijn lichtzinnige euforie is dwaas en genot is ook voor hem een vergeten connotatie.

Er leven kwallen in zijn rug, doch het koraal in zijn gewervelte is zijn fundament. Die algen over mijn organen maken van mij een lelijk mens. Waar is hier het estethisch rien? Geef mij wat kalk om zijn leegte op te vullen.

Ik was steeds passierijk om frigide als mijn voornaam te gebruiken. Struikel meermaals, doch laat geen mooie heren vallen. Het onvermogen baart lijpe constructies.

Ook hier wordt de Deus ex Machina vriendelijk naar huis gestuurd. Helden en heren, beide met glazige, droeve knikkers.

Odysseus, bind me vast voor ik gooien zal…

 

Ziehier, hier heb ik geen nood aan, mijnheer.

Die sigarettenpeuken, die stank.
Ik sta soms erotisch onder een douche, alsook ik erotisch met de
vingertoppen sop in een hete kaars.
Maar stinken doet het altijd.U weet, ik ben werkelijk timide,
maar nu hoort U ook hier thuis, in deze kader
ga daar maar staan, naast de koelkast.

Verslaafd aan chaos, waarlijk geïntoxiceerd, en u aan mijn geschriften.

U leest en leest en ik laat mijn potlood
de meest perverte liedjes dichten.

Over liefde, liegen en komkommers die slecht worden.

Terwijl ik al weken geen groente meer verteren kan.

Laat mij dus u inkaderen, onthouden, rouwen
geen trieste verzen, geen naargeestige metaforen
laat mij u herinneren zoals u zich niet herinneren kan.

Leest U maar, ik schets uw presentie

 

 

Volgende pagina »

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.