Daar zat mijn alter-ego te flirten met het verleden. Ik huilde bij het kraken van nieuw papier.
Genot had een tweesnijdend zwaard. Vrijheid was een vergeten adjectief.
Het was de eeuw van radeloze verwarring. Confucius viel van zijn troon en een kind blies de Toren van Babel omver. Zelfs de wind stotterde onzeker. Wij aten dagelijks verloren brood.
Ik bad onvergetlijk lang, mijn gebeden kenden een zekere turbolentie. De spiegel gaf de bleekheid toe van eindeloze isolatie. Ook turbolentie kende een zekere constante. Ik debuteerde fragiliteit.
Ook het kind hield op met huilen, ook de ochtendpuddings vervielen na twee weken sedentarisme. Het sein kwam – zoals altijd – te laat. De scepsis dook op in het verhaal: ‘zal ook deze keer mijn thee verkoelen?’.
Soms daagt dat vleugje autisme weer op. Tegels tellen. Broken Promises. Delicten alfabetiseren. Je op te eten.
Ik huilde nachten en dronk de dagen. Nostalgisch, maar niet te klagen.
Laat me je beminnen zodat ik zondigen kan.
